ChinaLange reis 2016-2017

Toch een beetje Tibet

posted by Vandeketting 28 oktober 2016 0 comments
Tibet

“Om mani pad me hum, Om mani pad me hum, Om mani pad me hum, dat is dan 10 yuan, Om mani pad me hum, Om mani pad me hum…” De zacht zoemende mantra vult het kleine winkeltje in Xiahe waar ik bij het krieken van de dag brood haal voor ons ontbijt. De verkoopster vult al prevelend de schappen met verse waar en onderbreekt haar continue gebed alleen even om mijn boodschappen af te rekenen. Buiten zijn de eerste pelgrims alweer begonnen aan de 3 kilometer lange omgang rond het enorme Labrang kloostercomplex dat aan de rand van de stad ligt, onderwijl de gebedsmolens langs het pad in de rondte draaiend wat hetzelfde effect zou moeten hebben als het herhaaldelijk uitspreken van de gebeden die erop staan. Talrijke monniken in hun karakteristieke paars-gele gewaden zwermen al door de straten, zowel binnen de muren van het klooster als in de stad daarbuiten.

Labrang is met zo’n 2000 monniken het grootste Tibetaans boeddhistische klooster buiten Lhasa, de hoofdstad van de Tibetaanse Autonome Regio zoals het gebied dat we meestal als Tibet aanduiden officieel heet sinds het onder Chinees bestuur valt. In die provincie mogen buitenlanders niet zelfstandig reizen, alleen in georganiseerd groepsverband of onder continue begeleiding van een gids. Niet geschikt dus voor een zwervende fietsreis, dus dat hebben we geschrapt als bestemming. Veel minder bekend is dat ook westelijke delen van de provincies Qinghai, Gansu, Sichuan en Yunnan feitelijk Tibetaans zijn. Een groot deel van de bevolking behoort er tot die minderheid, overal zien we kloosters, tempels, stoepas en gebedsvlaggen en de Tibetaanse cultuur, levenswijze en identiteit worden de laatste tijd ook van overheidswege meer gedoogd, ondersteund en nieuw leven ingeblazen.

We nemen een rustdag en proberen onze minder-dan-basiskennis van het boeddhisme een beetje bij te spijkeren door voor de rondleiding voor buitenlanders in te tekenen. Een monnik neemt het kleine groepje, waaronder twee Engelse fietsers op huwelijksreis, onder z’n hoede en leidt ons in sneltreinvaart door de gebedsruimtes die voor leken toegankelijk zijn. Het blijft vooral bij kijken, want heel veel meer uitleg dan “dit is de huidige Boeddha, dat is de vorige en dat is de volgende” geeft hij niet. Vragen beantwoordt hij met “you don’t understand” en verder is hij vooral een politieagent die erop toeziet dat we niets aanraken en geen foto’s maken waar het niet mag. Gelukkig kunnen we nadien zelf nog wat rondwandelen en een tijdje kijken bij een steeds groeiende groep monniken die op de trappen van één van de tempels een gestaag aanzwellende meerstemmige en monotone gebedszang opvoert terwijl een stroom pelgrims op het plein eronder zijn bestemming bereikt en de meegebrachte dennentakken en briefjes aan een grote vuuroven offert. Die pelgrims hebben vaak een lange tocht achter de rug. Tijdens het fietsen zien we regelmatig groepjes op weg naar Lhasa of een andere heilige bestemming. De meesten gewoon lopend, maar soms zien we er ook die voor elke volgende stap eerst languit op de weg gaan liggen en zich weer oprichten.

Labrang lag al op 2900 meter hoogte en van daar fietsen we gestaag verder de Tibetaanse hoogvlakte op. De bomen verdwijnen en we rijden dagenlang langs uitgestrekte graslanden met grote kuddes grazende yaks en de yurts van de bijbehorende veehoeders. De kou, de rommelige kampementjes en het fysieke werk buiten wijzen op een hard en primitief bestaan, al doen de rookpluimen van kolenkachels en de auto’s en zonnepanelen voor de tenten vermoeden dat de toenemende welvaart en comfort in China ook hier niet helemaal voorbij gaan. Grappig is ook de mengeling van traditionele gewoontes en modernere alternatieven. We komen veel mensen, oud en jong, tegen in klassieke, vormloze, zes maten te grote wollen capes (bestaat dat Zorro-woord eigenlijk nog?), maar regelmatig zien we die vervangen door strak gesneden hippe donsjassen. We zien yaks opgedreven worden door cowboy-achtige types op paarden en voor toeristen worden rijtochten over de prairie aangeboden. De vele brommertjes voor de yurts verraden echter dat het klassieke ros in de meeste gevallen is vervangen door een gemotoriseerd exemplaar.

Yaks zijn wel leuke beesten. Ze zien er log uit, maar ze kunnen best hard rennen en springen soepel over hekjes zo hoog als een herenhorde. Ze knorren tevreden en kuddes lijken vreedzaam samen te leven, al is het soms wel even knokken om de beste plaats bij een drinkwaterplas. Economisch gezien is de slager de bestemming van veel van de beesten, al wordt er ook wel yakmelk en -yoghurt verkocht. De kaarsen in de klooster draaien op smeulende yakboter en van dat spul worden ook prachtige Boeddhabeelden gemaakt. Tenslotte zagen we een paar beesten meewarig toekijken hoe een stuk of tien vrouwen een wei uitkamden en de verspreide vlaaien verzamelden om daar cilindervormige briketten van te kneden die in de winter in de kachel verdwijnen.

Yaks en yurts, kloosters en monniken, het zijn de klompen, kaas en tulpen van Tibet. Dat de streek voldoet aan zijn stereotypen maakt het wel lekker makkelijk voor ons, maar ook de Chinezen zelf vergapen zich er blijkbaar graag aan, want dit deel van Sichuan is een populaire bestemming voor binnenlands toerisme. We strijken voor een nacht neer in Tangke, een plaatsje van niets, maar wel strategisch gelegen tussen de graslanden én het mag zich verheugen in de passage van de Gele Rivier. Er wonen misschien 2000 mensen, maar we tellen zeker 30 flinke hotels. Die nu trouwens allemaal leeg staan, want het seizoen voor deze regio was na de vakantieweek van begin oktober officieel voorbij. Daar houden de Chinezen zich natuurlijk braaf aan, dus we komen maar mondjesmaat wat andere reizigers tegen (verder zuidelijk weer wat meer).

Na een pas die ook de waterscheiding is tussen de Gele Rivier en de Yangze verandert het landschap abrupt. De vlaktes verdwijnen en het wordt bergachtiger met lange valleien gevormd door snelstromende, brede rivieren. Als we een weg kiezen betekent dat steeds dat we een paar honderd kilometer door dat dal rijden, steevast eindigend met een flinke klim naar een volgende rivier. Er zijn weer bomen en die hebben mooie herfstkleuren en de meeste dagen hebben we geluk met fris, maar zonnig en helder weer. Kuddes yaks zien we hier nog steeds, yurts echter nauwelijks meer: die zijn vervangen door “new nomad villages” van stenen of houten huizen die best smaakvol en passend bij de per streek verschillende traditionele bouw zijn neergezet. We overnachten een keer in een prachtig groot, geheel houten huis in een dorp onderweg. Met z’n tweeën delen we een soort gemeenschapsruimte waar zo te zien ook wel eens pelgrims slapen. “De WC is op zolder”, zegt de beheerder. Dat klinkt goed, tenminste niet het gat boven een beerput dat we soms ook treffen, denken we. Helaas. We ontdekken dat de schattige houten balkonnetjes die de meeste huizen sieren precies dezelfde functie hebben, alleen is de beerput geen gat in de grond, maar gewoon een kleine ommuring een meter of zes lager.

Genoeg te zien, beleven en proberen een beetje te begrijpen dus in dit deel van China. En het eten is nog steeds lekker.

You may also like

Leave a Comment